jump to navigation

2. INLEIDING (EEN STAP TERUG) mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

Introductie

 

PDD-NOS[1] en ADHD[2] zijn ondertussen in Nederland bijna overbekende afkortingen geworden. Het lijkt wel of er op school in iedere klas wel een of meer kinderen zitten die door leer- of gedragsproblemen extra begeleiding van de leerkrachten nodig hebben. Men begint zich ondertussen zelfs al wat bezorgd af te vragen of de stoornissen tegenwoordig misschien niet teveel gediagnosticeerd worden. Waarschijnlijk is het omgekeerde juist het geval: de diagnose PDD-NOS of ADHD wordt naar mijn mening nog veel te weinig gesteld.

 

Ouders willen natuurlijk zo graag een ‘normaal’ kind hebben dat ze vaak niet kunnen of willen inzien dat hun kind problemen heeft die zijn verdere ontwikkeling behoorlijk in de weg kunnen staan.

 

Kinderen worden vervolgens soms met hangen en wurgen op de normale basisschool gehouden tot stijgende wanhoop van de leerkrachten. Zij zien dat een aantal van hun leerlingen behoorlijke leer- en gedragsproblemen hebben, maar wanneer ze hun zorgen met de ouders proberen te delen dan vinden die dat er helemaal niets aan de hand is. De leerkrachten moeten maar wat meer discipline in de klas invoeren. Vroeger was immers alles beter. De vraag is natuurlijk waarom ouders niet in kunnen of willen zien dat hun kinderen problemen hebben. Zijn die ouders dan soms zelf de oorzaak van de leer- en gedragsproblemen die hun kinderen zo belemmeren?

 

Maar het probleem van die leer- en gedragsproblemen staat vrijwel nooit op zichzelf. Ze zijn vaak een uiting van een omvangrijker probleem: communicatieve en sociale tekortkomingen of een onbedwingbare neiging om te reageren op iedere prikkel en daardoor nauwelijks in staat zijn om rustig stil te zitten om de lesstof tot zich te nemen. Die problemen hebben tegenwoordig  bekende namen gekregen. Die naam, PDD-NOS of ADHD, is dus het etiket geworden waarmee een probleem wordt geïdentificeerd en waarmee extra begeleiding vanaf zal hangen. Geen etiket betekent vaak geen begeleiding. Maar geen etiket betekent ook geen medicatie en erkenning voor ouders. Die moeten zovaak die meewarige blikken van bekenden en onbekenden voelen en binnensmonds gemompelde opmerkingen zoals ‘Als het er eentje van mij was dan zou ik hem wel weten aan te pakken.’ aanhoren. Een diagnose is dus een soort officiële erkenning van het feit dat jij er ook niet de schuld hoeft te dragen dat je kind problemen ondervindt in zijn dagelijks leven.

 

Volgens de meest recente schattingen, die te destilleren zijn uit een steekproef onder 13 tot 17-jarigen, blijkt dat er in Nederland ongeveer 13 per 1000 jongeren met ADHD moeten rondlopen. Omgerekend naar het totale aantal jongeren in Nederland wordt geschat dat het aantal jongeren met de officiële diagnose ADHD uit moet komen op zo’n 13.000. Over de aantallen kinderen met PDD-NOS zijn zelfs nog helemaal geen cijfers bekend. Maar het betekent wel dat vele ouders vaak met lood in hun schoenen hun weg naar de kinderpsychiater hebben gemaakt. Ze hebben daar een diagnose voor ADHD of PDD-NOS voor hun kind te horen gekregen.

 

Vaak  betekent die diagnose het einde van een jarenlange tocht langs allerlei instanties, die maar niet wilden of konden begrijpen dat jij gelijk had met het gevoel dat je kind op sommige momenten ‘anders’ bleef reageren in sommige situaties dan je verwachtte. Anders zijn heeft vaak een oorzaak en bij een oorzaak hoort een diagnose.

 

Nadat je kind de diagnose heeft gekregen geeft dat in eerste instantie enige rust. Maar daarna wordt je vaak geconfronteerd met het volgende probleem. De signalen en symptomen van het zojuist benoemde probleem hebben heel vaak een grote beperkende invloed op het gedrag van je kind. Bovendien is het een voortdurende belasting van je gezin. Je snakt naar rust. De medicus zal daarop in een groot deel van de gevallen voorstellen om het probleem met medicatie aan te pakken en in veel gevallen gaat het dan om het meest voorgeschreven medicijn met de naam Ritalin.

 

Maar wat doet Ritalin eigenlijk in en met de hersenen van je kind, zo zul je jezelf mogelijk af gaan vragen. Is het eigenlijk wel veilig? In dit boek zal ik antwoorden op al je vragen proberen te geven.

Het was het jaar 1978 toen een opmerkelijk onderzoek in het vakblad ‘The American journal of psychiatry’ het licht zag. Het had de intrigerende titel ‘The effect of high doses of vitamin B6 on autistic children: a double-blind crossover study’ en het was ingediend door de Amerikanen Bernard Rimland (1928-2006), Ewen Callaway and (..) Dreyfuss. De schrijvers maakten gebruik van gegevens van een aantal eerdere wetenschappelijke studies. Het doen van onderzoek aan meerdere al eerder gepubliceerde onderzoeken noemt men meta-onderzoek. Het bovengenoemde onderzoek van Rimland en consorten was dus beslist niet het eerste onderzoek waarbij de link werd gelegd tussen autisme en vitamine B6, maar meer een verzameling van eerdere wat in de vergetelheid gebleven onderzoeken.

Een van die onderzochte studies stamde al uit het jaar 1966 toen een groep Britse neurologen de uitkomsten van een klein onderzoek[3] publiceerden waar maar 16 autistische kinderen aan hadden deelgenomen. In een zogenaamd dubbelblind onderzoek werd van ieder deelnemend kind het vitamine B6-supplement soms vervangen door een placebo gedurende een tweetal experimentele testperiodes. De onderzoekers wisten dus zelf vooraf niet wanneer de vitamine B6 door een placebo werd vervangen. Daardoor konden ze onbevooroordeeld en onbevangen de eventuele gedragsveranderingen van de aan het onderzoek deelnemende kinderen bestuderen en observeren. Nadat alle gegevens met elkaar waren vergeleken bleek dat het gedrag van de kinderen tijdens het weglaten van de vitamine B6 en het toedienen van de placebo opmerkelijk was verslechterd. Bij 11 van die 16 kinderen werden vervolgens ook abnormale metabolieten (afbraakproducten) in de urine aangetroffen van stofjes die in de hersenen hun werk verrichten. Nadat er een tablet van 30 mg vitamine B6 werd ingenomen keerden de metabolische niveaus van de urine terug naar hun oorspronkelijke en wenselijke niveaus.

Het aantreffen van afwijkende niveaus van bepaalde afbraakproducten in je urine wijst op het feit dat er ergens in je lichaam mogelijk een teveel of een tekort aan bepaalde noodzakelijke voedingsstoffen, vitamines, mineralen of andere zogenaamde micro-nutriënten aanwezig zijn. Een afwijking van het normale is voor wetenschappers altijd reden voor verder onderzoek. Want van welke stof is er precies een afwijkende waarde en wat voor invloed heeft die afwijking op het gedrag van het onderzoeksobject? Maar jammer genoeg werden er in dit onderzoek geen gedragsobservaties uitgevoerd en bleef het slechts bij de kale en kille onderzoekswaarden.

Maar enkele jaren later bracht Bönisch, een Duitse onderzoeker, de resultaten van een nieuw onderzoek[4] naar buiten. In dit onderzoek meldde hij dat 12 van de 16 in zijn onderzoek deelnemende autistische kinderen opmerkelijke verbeteringen in hun gedrag vertoonden nadat ze hoge doses vitamine B6 (100 to 600 mg per dag) hadden geslikt. Drie van deze patiënten spraken zelfs voor de allereerste keer.

Rimland was zelf vader van een autistische zoon en had maar weinig vertrouwen in de mogelijke therapieën, die de medische wetenschap in die jaren kon bieden voor de behandeling van de problemen van zijn zoon. Hij zocht dus zelf koortsachtig naar nieuwe en vernieuwende manieren om zijn zoon een zo normaal mogelijk leven te kunnen bieden. Zijn meta-studie uit 1978 was daardoor het begin van een zoektocht die zijn hele leven zou voortduren. De resultaten van zijn studie waren voor hem dan ook reden genoeg om snel een groot vervolgonderzoek op te starten. Aan dat vervolgonderzoek deden maar liefst 200 kinderen, die de diagnose autisme hadden gekregen, mee. Ze moesten dagelijks een zeer grote hoeveelheid, een zogenaamde meda-doses, vitamine B6 innemen. Aan het eind van deze studie werden de resultaten daarvan bekend gemaakt. Het bleek dat er opmerkelijke verbeteringen in het gedrag van de deelnemende kinderen konden worden genoteerd. Bij enkele kinderen waren, als direct gevolg van die ontzettend hoge doses vitamine B6, wat negatieve, maar onbelangrijke bijwerkingen opgetreden. Men noemde hierbij irritabiliteit, overgevoeligheid voor geluid en bedplassen. Maar die bijwerkingen verdwenen alweer snel nadat extra magnesium was toegevoegd aan hun vitamine B6. Van het metaal magnesium is bekend dat het een belangrijke rol speelt bij de energiestofwisseling als onderdeel van een aantal enzymen (onder andere fotokinase) en is verder betrokken bij de prikkeloverdracht van zenuwprikkels[5].

 

Uit de resultaten van het bovenstaande onderzoek kunnen we dus wel opmaken dat vitamine B6 en ontwikkelingsstoornissen, zoals autisme, met elkaar te maken hebben. We kunnen op basis van dit onderzoek zelfs nu al de theorie openbaren dat ontwikkelingsstoornissen de uiterlijke zichtbare resultaten kunnen zijn van een innerlijk en onzichtbaar tekort aan vitamine B6.

 

In hoofdstuk 3 ‘Ontwikkelingsstoornissen, PDD-NOS EN ADHD’ ga ik wat dieper in op de geschiedenis van ontwikkelingsstoornissen in de psychologie. Ik probeer uit te leggen dat die geschiedenis mede van invloed is geweest op de naamgeving van de afzonderlijke stoornissen en de mogelijke problemen die daardoor kunnen ontstaan. Ook tracht ik aan te tonen dat, ondanks alle uiterlijke verschillen, we misschien toe moeten naar het idee dat alle ontwikkelingsstoornissen eenzelfde oorsprong hebben.

 

In hoofdstuk 4 ‘TWIJFELS OVER MEDICATIE’ wordt gesproken over de twijfels die veel ouders blijken te hebben over de mogelijk schadelijke effecten op langere termijn voor het welzijn en de gezondheid van het kind. Zijn deze twijfels terecht of kunnen die voor eens en voor altijd uit de wereld geholpen worden.

 

In hoofdstuk 5 ‘PDD-NOS, ADHD, DEPRESSIE EN SEROTONINE’ kijken we naar de verschillen en overeenkomsten van het gebrek aan serotonine in de hersenen bij een drietal bekende psychische problemen. Het doel van dit hoofdstuk is om duidelijk inzicht te krijgen in de processen die in de hersenen plaatsvinden en om aan te geven waar precies de verschillen en overeenkomsten zitten.

 

In hoofdstuk 6 ‘Vitamine B6, PDD-NOS en ADHD’ wordt de belangrijke rol, die vitamine B6 speelt in het ontstaan van de signalen en symptomen van PDD-NOS en ADHD, verder uitgediept. Wat is het nut van

 

Hoofdstuk 7 ‘ESSENTIELE VETZUREN, PDD-NOS EN ADHD’ kijkt naar de mogelijke rol van essentiële vetzuren bij het behandelen van PDD-NOS en ADHD. Essentiële vetzuren zijn beter bekend onder de term ‘visolie’, al is deze strikt genomen niet helemaal juist.

 

Hoofdstuk 8 ‘Vitamine B6, Hypervitaminose en hypovitaminose’ wordt gebruikt om de rol, de mogelijke voordelen en gevaren duidelijker te beschrijven van het deze vitamine. Welke problemen ontstaan als je chronisch te weinig van deze vitamine met je voeding binnen krijgt? Kun je ze ongestraft teveel nemen? Zijn er echt gevaren aan verbonden om die megadoses aan vitamine B6 aan je kind te geven of valt het allemaal wel wat mee?

 

Tot slot wordt in hoofdstuk 9 ‘SEROTONIN DEFECIENCY DISORDER (SDD)?’ een lans gebroken voor het voorstel om de termen ontwikkelingsstoornissen, PDD-NOS en ADHD te vervangen door een nieuwe term, Serotonin Deficiency Disorder’. Welk nut kan het hebben om een probleem van naam te veranderen. Kunnen we mogelijk door het wijzigen van het gezichtpunt het onderzoek en de behandeling naar deze veel voorkomende psychische problemen belangrijke nieuwe impulsen geven?

 

Dit boek heeft tot doel om ouders, deskundigen en andere geïnteresseerden duidelijk te maken dat we misschien moeten afleren om naar de uiterlijke gevolgen van ontwikkelingsstoornissen, zoals PDD-NOS en ADHD te kijken, en eens moeten proberen om met een frisse blik naar de innerlijke oorzaken van die stoornissen te kijken. Dat alleen al kan er mogelijk voor zorgen dat  er op een vernieuwende manier kan worden gekeken naar nieuwe vormen van behandeling.



[1]               Fred de Vries: Storm in je Hoofd – Handboek PDD-NOS – 2008 (achtste druk)

[2]               Fred de Vries: Tornado – Handboek ADHD – 2007 (eerste druk)

[3]           Heeley, Roberts: A study of tryptophan metabolism in psychotic children in Developmental medicine and child neurology 1966 Dec;8(6):708-18

[4]           Bönisch: Experiences with pyrithioxin in brain-damaged children with autistic syndrome in Praxis der Kinderpsychologie und Kinderpsychiatrie in 1968 Nov-Dec;17(8):308-10

[5]               Thorig: 100 vragen over vitaminen en mineralen - 1996

3. ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN, PDD-NOS en ADHD mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

Het lijkt wel of er in Nederland een stille epidemie gaande is. Misschien zeggen officiele onderzoeken iets anders, maar u en ik weten dat er tegeenwoordig veel meer kinderen met PDD-NOS en aDHD rondlopen dan vroeger. Die officele onderzoeken melden dat uit een steekproef onder 13 tot 17-jarigen bleek dat er in Nederland ongeveer 13 per 1000 jongeren met ADHD moeten rondlopen. Omgerekend naar het totale aantal jongeren in Nederland wordt geschat dat het aantal jongeren met ADHD uit moet komen op zo’n 13.000. Dit is de theorie want jij en ik snappen onmiddellijk dat het werkelijke getal in de praktijk een stuk hoger moet zijn omdat tegenwoordig in vrijwel iedere schoolklas wel één of meerdere kinderen met ADHD lijken te zitten.

 

Volgens het bovenstaande onderzoek heeft naar schatting 3% to 5% van de kinderen jonger dan 16 jaar last van zijn of haar ADHD; bij jongvolwassenen is dit 1 tot 3%. Er wordt geen definitie van het woordje ‘last’ gegeven. Deze ruwe schattingen zijn ook nog eens deels gebaseerd op buitenlandse onderzoeken.

 

Nederlands onderzoek van de Gezondheidsraad (2000) laat zien dat het aantal kinderen met ADHD hier de afgelopen twintig jaar nauwelijks is toegenomen. De stoornis wordt ondertussen wel steeds beter herkend door hulpverleners, leerkrachten en ouders. Mede daardoor is het aantal behandelde kinderen sterk gestegen.

 

Paul Bleuler (1857-1939) was een Zwitserse psychiater, die het meest bekend is vanwege zijn werk op het gebied van het begrip van geestelijke ziektebeelden. Daarnaast was hij degene die de term ‘schizofrenie’ (‘gespleten geest’) verzon. In 1908 bedacht Bleuler dat het woord ‘autisme’ (‘autos’ betekent ‘zelf’) wel kon worden gebruikt bij een onderdeel van het gedrag van schizofrene patiënten, die zichzelf extreem van de buitenwereld afsloten en bovendien zeer op zichzelf gericht waren. Met andere woorden: autisme werd in eerste instantie gezien als een sub-type van schizofrenie. 

 

Maar die visie was niet tevredenstellend omdat het nogal wat vragen bleef oproepen. Daardoor kwam het dat de Amerikaanse psychiater Leo Kanner in 1943 een nieuwe visie op het probleem publiceerde[1]. Hij beschreef 11 kinderen met een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Daaronder waren beperkingen in sociale relaties, actief tegenwerken van veranderingen, goed geheugen, echolalia op latere leeftijd, gehechtheid aan bepaalde stimulie (voornamelijk geluid), zeer zinnig over hun eten, beperkte spontane activitetien. Kanner noemde deze kinderen autistisch.

 

Een jaar later beschreef de psychiater Hans Asperger zijn observaties over een groep kinderen, die bij hem in behandeling waren en die hij de term autistische psychopaten meegaf. Hoewel zijn beschriijving van die kinderen wel aaridg op die van Kanner leek, zag hij toch ook wat verschillen.

 

Er ontstonden dus redelijk snel achter elkaar die gelijksoortige benamingen waren voor drie ziektebeelden, die behoorlijk van elkaar konden verschillen. Dat betekende dat het zaad voor mogelijke verwarring voor wat betreft de latere ontwikkelingsstoornissen al vroeg werd gezaaid.

 

Ontwikkelingsstoornissen zijn ook bekend onder hun Engelse term Pervasive Development Disorders (PDDs) en het is eigenlijk slechts een term om een belangrijke groep stoornissen te kunnen beschrijven. Deze stoornissen ontstaan gedurende de opbouw van de hersenen gedurende zwangerschap. Gewoonlijk worden de eerste effecten van deze stoornissen zeker door de ouders al vroeg opgemerkt. Zij geloven dat hun kind ‘anders’ reageert op stimuli dan ze hadden gedacht of gehoopt.

 

De gevolgen van ontwikkelingsstoornissen zijn dus aangeboren, zullen dus nooit echt overgaan en een patiënt zal er zijn levenlang in meer of mindere mate last van blijven houden. De effecten van ontwikkelingsstoornissen kunnen in een aantal vrij duidelijke categorieën worden geplaatst en er kunnen in de meeste gevallen behoorlijk grote problemen op het sociale vlak en op het communicatieve vlak worden opgemerkt. Die stoornissen variëren en beïnvloeden elkaar in meer of mindere mate. Daardoor wordt de wijze waarop de denkwijze, gevoelsleven, taalgebruik en taalbesef, en de vaardigheid om met anderen om te gaan in verschillende mate beïnvloed.

 

Maar er bestaan grote variaties in de ernst van deze stoornissen. Sommigen hebben zulke ernstige beperkingen dat nauwelijks verwacht mag worden dat ze ooit zelfstandig kunnen leven, werken en wonen. Van anderen wordt nauwelijks opgemerkt dat ze op bepaalde terreinen wat problemen hebben en deze zullen ook vrijwel probleemloos hun leven kunnen leiden en alleen op momenten van grote druk of stress zal hun stoornis nog opgemerkt kunnen worden.

 

Volgens de aangepaste vierde versie van het gezaghebbende psychiatrische handboek Diagnostic and Statistical Manual for Mental Disorders (afgekort tot DSM-IV-TR) uit 2000, worden onder de term ‘Ontwikkelingsstoornissen’ een aantal afzonderlijke stoornissen geplaatst. Dit betreffen autisme, Asperger’s Stoornis, Pervasive Development Disorder - Not Otherwise Specified (PDD-NOS), Childhood Disintegrative Disorder en Rett’s Disorder.

 

In dit boek wordt bijna consequent gesproken over ‘ontwikkelingsstoornissen, zoals PDD-NOS en ADHD’ wat doet vermoeden dat PDD-NOS en ADHD gelijkwaardig zijn, zoals broers en zusters tot een familie behoren. De vraag, die daarom door mij in dit boek beantwoord zalm oeten worden, is of die samenhang terecht is.

 

Maar misschien moeten we beginnen met anders leren kijken naar het probleem en begrijpen dat PDD-NOS en ADHD misschien wel gezien moeten worden als een twee-eiige tweeling. Hoewel ze uiterlijk hier en daar zullen verschillen hebben ze bij nader inzien toch zoveel overeenkomsten dat ze eigenlijk meer eender als verschillend zijn.

 

Maar de deskundigen, die het alom bekende en vrijwel wereldwijd gebruikte Diagnostic and Statistical Manual, vierde versie, beter bekend onder de afkorting DSM-IV hebben geschreven, besloten dat PDD-NOS een development disorder ofwel een ontwikkelingsstoornis is, terwijl ADHD een conduct disorder ofwel een gedragsstoornis is.

 

Bovendien lijken de signalen en symptomen van PDD-NOS en ADHD uiterlijk behoorlijk te verschillen. Eigenlijk zou je moeten zeggen dat het hyperactieve kind met ADHD niet méér van een teruggetrokken kind met PDD-NOS kan verschillen, maar die indrukken zouden bij een nadere beschouwing wel eens fout kunnen zijn.

 

Ik sta dus voor een behoorlijke opgave: ik moet in dit hoofdstuk overtuigend zien aan te tonen dat de geleerde psychologen het niet helemaal bij het rechte eind hadden toen ze PDD-NOS en ADHD in twee verschillende categorieën stopten en daarnaast ik moet verklaren dat twee op het eerste gezicht volkomen verschillende syndromen eigenlijk een en hetzelfde syndroom zijn.

 

Het belangrijkste symptoom van Attention Deficit Hyperactivity Disorder, afgekort tot ADHD, is natuurlijk zijn voortdurende hyperactiviteit. Deskundigen hebben aan die stoornis ook nog de aandachtstekorten toegevoegd, maar het is maar de vraag of die niet het gevolg is van de hyperactiviteit. Het is namelijk heel goed voor te stellen dat een kind met een hyperactief brein zich nauwelijks lang kan op welk onderwerp dan ook kan concentreren. Dat overactieve brein lijkt het gevolg te zijn van een gebrek om waardevolle prikkels van nutteloze te onderscheiden. Ergens mist er in de hersenen een filter die die belangrijke taak correct uitvoert. Wij zijn van oudsher in staat om bepaalde geluiden niet bewust meer te horen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan mensen die vlakbij een drukke spoorbaan, vliegveld of snelweg wonen. Die horen niets meer van de herrie van het voorbij razende verkeer, terwijl nieuwe bewoners of bezoekers bijna gek kunnen worden van de herrie. Na verloop van tijd treedt de schijnbare rust in. Het is een oeroud restant van een overlevingsmechanisme toen ieder vreemd geluid voor de ‘jager-verzamelaar’ op de jacht naar prooidieren belangrijk was. Geluiden konden dood of leven betekenen; voor de prooi of voor zichzelf. Het was daarom uiterst belangrijk om onschuldige of niet ter zake doende geluiden weg te filteren, zodat de belangrijkste overbleven. Maar soms werkt dat proces niet goed. Daardoor bereiken alle prikkels ongefilterd het brein van een kind. Om toch geconcentreerd te blijven moet hij vreselijk veel moeite doen om zich niet te laten afleiden door al die zaken waar anderen niet eens bewust weet van hebben. Want het gaat dus niet alleen over geluiden, maar ook over licht, kleuren, gevoel en smaak. Een kind met ADHD, die tegen een verkoudheid aanhangt, is vele malen vervelender en ongeduriger dan een kind zonder ADHD. Hij reageert extreem op allerhande prikkels of die nu buiten zijn lichaam of in zijn lichaam plaats vinden. Andersom geredeneerd kun je dus stellen dat de signalen en symptomen van ADHD bij een kind niet of nauwelijks zichtbaar zijn wanneer hij zich in een prikkelarme omgeving bevindt. Met andere woorden: een ADHD’er houdt niet van veranderingen.

 

Een kind met PDD-NOS echter heeft problemen op het sociale en communicatieve vlak. Bovendien worden veranderingen in zijn leven actief tegengewerkt. Als eerste kunnen we een verbinding leggen tussen de communicatieve en sociale problemen. Een kind met PDD-NOS houdt van vaste, eenvoudig te begrijpen regels. Waarom moet je die regels steeds weer aanpassen? Waarom moet je tegen je opa anders zijn dan bij je vriendjes op straat? Waarom mag ik nu die bal niet hebben, terwijl voetbal juist om het veroveren van die bal gaat? Het zijn die steeds veranderende regels in situaties waar een kind met PDD-NOS het verschil niet precies ziet. Een regel is meer dan genoeg. Voor wat betreft communicatie geldt precies hetzelfde. Waarom bestaat er een tegenwoordige en verleden tijd in een zin? Het gaat er toch om dat ze begrijpen wat je zegt? Waarom gebruiken mensen die vervelende woordgrapjes en nuances in hun taal?


En wat is nu zo belangrijk aan een d, t of dt? Lichaamstaal of gezichtsuitdrukkingen zijn ook al van die vervelende en ingewikkelde zaken: zeg toch gewoon wat je bedoelt en voor de rest wil ik niets weten. Geen nuances of versluieringen. Met andere woorden: zowel bij hun communicatieve en sociale beleving hebben kinderen met PDD-NOS het gevoel dat ze genoeg hebben aan een enkele regel. Veranderingen zijn alleen maar vervelend en lastig te begrijpen. Dus, als communicatieve en sociale problemen ontstaan door een rigide toepassing van de regels en we koppelen die aan het derde symptoom van PDD-NOS, de actieve tegenwerking van veranderingen, dan zijn we al waar we zijn willen. Een PDD-NOS’er houdt niet van veranderingen.

Nu kunnen we beide stoornissen eenvoudig aan elkaar verbinden. Het belangrijkste kenmerk van zowel een kind met ADHD als een kind met PDD-NOS is de afkeer van verandering. Hoewel die afkeer in het ene kind zich op een andere manier manifesteert dan in het andere, kunnen we hierdoor toch concluderen dan beide stoornissen een en dezelfde zijn, al is de uiterlijke verschijningsvorm duidelijk verschillend.

 

Dat PDD-NOS onder de sectie ‘ontwikkelingsstoornissen’ valt is wel te begrijpen. Ouders merken in de meeste gevallen al snel dat hun kind anders op prikkels reageert dan ze hadden verwacht. Ontwikkelingsstoornissen ontstaan gedurende de zwangerschap tijdens de ontwikkeling van de hersenen. Het ontstaat als een klein foutje in het genetisch materiaal waaruit de foetus is ontstaan. Daarbij heb je dus in principe slechts twee mogelijkheden: of het zaad van de man is de bron van die ontwikkelingsstoornissen of de eicel van de vrouw. Een ontwikkelingsstoornis is namelijk voor het allergrootste deel erfelijk bepaald. Heeft de vader PDD-NOS dan bestaat er een grote kans dat zijn kinderen ook last hebben van diezelfde stoornis. Andersom geldt dus ook dat, wanneer er bij een kind PDD-NOS wordt gediagnosticeerd, je als ouders misschien eens goed in de spiegel moet gaan kijken. Heb jij soms in je jeugd dezelfde of soortgelijke problemen gehad als die waarmee je kind op dit moment mee worstelt?

 

ADHD wordt, zoals gezegd, tot de Conduct Disorders of ‘Gedragsstoornissen’ gerekend. Natuurlijk is het waar dat het gedrag van een kind met ADHD veel meer opvalt dan het gedrag van een kind met PDD-NOS. Een kind met ADHD is vaak extravert – naar buiten toe gericht -, terwijl een kind met PDD-NOS in veel gevallen vaak introvert – naar binnen toe gericht – lijkt. Toch kunnen kinderen met ADHD zich heel rustig gedragen, maar slechts dan wanneer er geen of nauwelijks prikkels zijn die hun zintuigen berieken. Andersom kunnen kinderen met PDD-NOS bijzonder heftig reageren wanneer er een plotselinge verandering optreedt. Besluit je plotseling om ‘iets leuks’ te gaan doen met je kind dan weet je weer dat je een kind hebt dat last heeft van PDD-NOS. Ook ouders van kinderen, die later de diagnose ADHD hebben gekregen, meldden dat zij al heel vroeg het idee en gevoel hadden dat hun kind vanaf het allereerste begin anders reageerde dan zij ‘normaal’ vonden. Vaak wordt gezien dat deze kinderen het vervelend vinden om aangeraakt te worden, ze nauwelijks oogcontact maken, lastige eters zijn en een verstoord slaappatroon hebben.

 

Ook in dit geval bestaat er dus eigenlijk geen enkele reden om beide stoornissen in een aparte categorie te plaatsen. Zowel kinderen met PDD-NOS als ADHD vertonen druk gedrag als ze geconfronteerd worden met veranderingen – een toename van prikkels – in hun dagelijks leven.

Mijn stelling is daarom op basis van het vertoonde gedrag wel te verdedigen: PDD-NOS en ADHD zijn beide uiterlijke verschijningsvormen van hetzelfde probleem. De oorsprong van dat probleem kan gevonden worden in de hersenen. De ernst van het probleem heeft te maken met de ernst van de verstoring. De ernst van het probleem heeft te maken met de ernst van de verstoring en de precieze plaats waar deze verstoring zich in de hersenen bevindt.

 

Maar kan ik deze theorie – want dat is het nog steeds – ook met wetenschappelijk feiten onderbouwen?

 

Jazeker. Volgens mij kan ik dat.

 

Een eerste aanwijzing die deze theorie wetenschappelijk ondersteunt kwam al in 2002 uit Japan. Onderzoekers aan de Kurume University School of Medicine in Fukuoka[2] onderzochten de urine van zowel kinderen met ADHD als kinderen met autisme. Na analyse bleek dat in de urine van beide groepen kinderen verlaagde waarden van bèta-fenylethylamine (PEA) werden aangetroffen. Deze stof stimuleert in de hersenen de afgifte van de neurotransmitter dopamine. Volgens de onderzoekers suggereren deze verlaagde waarden dat autisme en ADHD eenzelfde onderliggende bio-chemische oorzaak kunnen hebben. Omdat PDD-NOS gezien moet worden als een milde vorm van autisme is de eerste link met dit onderzoek gelegd: PDD-NOS en ADHD vertonen dezelfde afwijkende urine-waarden.

 

Uit vervolgonderzoek door dezelfde Japanse wetenschappers[3] bleek dat, wanneer de kinderen met ADHD methylfenidaat kregen toegediend, de waarden van bèta-fenylethylamine (PEA) weer behoorlijk toenamen (‘significantly increased’).

 

PEA is een neurotransmitter, die wordt aangemaakt van phenylalanine en het is belangrijk om je te kunnen focussen en concentreren. Verlaagde niveaus worden geassocieerd met problemen om je aandacht ergens bij te houden en depressie.

 

Daartegenover staat dat verhoogde waarden van phenylalanine, waar die PEA uit wordt aangemaakt, het niveau van serotonine juist weer verlaagt[4].

 

Dus: uit phenylalanine wordt bèta-fenylethylamine gemaakt en het heeft ook effect op serotonine. Een te laag niveau aan phenylalanine zorgt voor concentratiestoornissen, maar een te hoog niveau zorgt ook voor verlaagde waarden van de zo noodzakelijke serotonine.

 

Recent publiceerden een aantal Amerikaanse geleerden een wetenschappelijk artikel[5] waarin ze beschreven dat ze onderzocht hadden Oppositional Defiant Disorder (ODD) wel zo heel erg van ADHD verschilt als gedacht werd. Met andere woorden: ze gingen onderzoeken of die twee stoornissen meer met elkaar gemeen hadden dan dat ze van elkaar verschilden. Hun conclusie was niet verwonderlijk. Men ontdekte dat er maar weinig verschillen waren tussen PDD-NOS (zij noemen het in hun artikel ASD – Autism Spectrum Disorder), ODD en ADHD. Hun eindconclusie was dat met de uitkomsten van het onderzoek gewicht verleende aan het idee dat er overlappende (en dus mogelijk zelf gelijke) mechanismen bestonden bij zowel ADHD en ODD.



[1]           Kanner: Autistic Disturbances of Affective Contact in Nervous Child - 1943

[2]               Kusaga: Decreased beta-phenylethylamine in urine of children with attention deficit hyperactivity disorder and autistic disorder in No To Hattatsu - 2002

[3]               Kusaga et al: Increased urine phenylethylamine after methylphenidate treatment in children with ADHD in Annals of Neurology - 2002

[4]              Yuwiler et al: Effects of Phenylalanine Diet on Brain Serotonin in the Rat in Science - 1961

[5]              Gadow et al: Defiant Disorder as a Clinical Phenotype in Children with Autism Spectrum Disorder in Journal of Autism and Developmental Disorders - 2008

4. TWIJFELS OVER MEDICATIE? mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

‘Jongen (13) overlijdt op voetbalveld aan hartstilstand’

 

Zomaar een kopje uit de krant. Zomaar? Natuurlijk zit er voor de achterblijvende ouders een verschrikkelijk drama achter, maar over die kant van wil ik het even niet hebben.

 

Misschien dat het jou niet is opgevallen, maar mij wel: tot een aantal jaar geleden las je dit soort trieste berichten nooit. Vroeger had je alleen maar een kleine kans om tijdens het voetballen bij een onweersbui door de bliksem getroffen te worden, maar een hartstilstand op 13-jarige leeftijd kwam gewoon niet voor. Als je er op gaat letten ontdek je dat het tegenwoordig helemaal niet meer zo’n zeldzaam verschijnsel meer is dat jeugdigen hartproblemen lijken te hebben. Met soms dodelijke gevolgen.

 

Wanneer ik dit soort treurige berichten vaker tegenkom, vraag ik me af wat van dat drama de mogelijke oorzaken kunnen zijn. Waarom is het er nu wel en was het er vroeger niet? Daar moet toch een aanwijsbare reden voor zijn? Wanneer je ook benieuwd bent naar de mogelijke oorzaken, lees dan vooral door.

 

Zou het misschien iets te maken kunnen hebben met het feit dat in februari 2007 de Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA)[1] bekend maakte dat zij de producenten van bepaalde ADHD-medicijnen had verplicht om hun bijsluiters zodanig aan te passen dat patiënten duidelijk zou worden gemaakt dat er bepaalde gevaren kleven aan het gebruik van deze medicijnen? Het betrof hier een waarschuwing voor veel voorgeschreven medicijnen op basis van amfetamine, zoals methylfenidaat (merknaam: Ritalin, Concerta, etc) en atomoxitine (merknaam: Strattera).

 

De FDA waarschuwde voor de gevaren voor mogelijke hart- en vaatproblemen en het risico op psychiatrische symptomen als gevolg van het gebruik van deze medicijnen.

 

Vreemd. Over die mogelijke negatieve bijverschijnselen heeft de behandelend geneesheer van je kind het waarschijnlijk niet gehad. Hij heeft het ook zo druk. Het zal hem waarschijnlijk even ontschoten zijn om je te vertellen dat je kind het risico loopt op hartproblemen en psychiatrische problemen. Kan gebeuren, toch? Of zou het allemaal wel meevallen? Misschien zijn die Amerikaanse gezondheidsautoriteiten weer eens veel te voorzichtig geweest en zorgen ze juist daardoor voor extra onnodige ongerustheid bij de ouders van kinderen met de diagnose ADHD?

 

Ik zal hier proberen uit te leggen wat de mogelijke gevaren van de veel voorgeschreven ADHD-geneesmiddelen zijn. Na het lezen van dit hoofdstuk zul je in staat zijn zelf je conclusies en beslissingen te kunnen nemen.

 

Je hebt eindelijk de langverwachte en gevreesde diagnose ADHD of PDD-NOS voor je kind gehoord van de behandelend medicus en dan wacht alweer de volgende horde. Moeten de signalen en symptomen van die ontwikkelingsstoornis behandeld worden met medicatie? Veel ouders zullen met deze vraag worstelen. Vaak zal op korte termijn inderdaad een opmerkelijke verbetering te zien zijn in de problemen en het gezin komt daardoor in veel gevallen ook in een wat rustiger vaarwater. Maar toch… Een medicijn is toch een chemische stof en is die stof op de lange termijn wel gezond voor de verdere geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van je kind?

 

Ik zal op deze (en andere) vragen over de zoveel voorgeschreven medicijnen voor ADHD en PDD-NOS zo objectief mogelijk antwoord proberen te geven.

 

In 2007 verrichtte bewegingswetenschapper Dirk Veldman onderzoek in het kader van zijn afstudeeropdracht aan de Universiteit van Maastricht naar het aantal hartstilstanden in de hoogste afdelingen van de Nederlandse amateurvoetbalcompetities. Zijn resultaten bleken schokkend: In Nederland treden jaarlijks per 100.000 voetballers 2,3 fatale hartstilstanden op. Dat betekent dat er tegenwoordig alleen al in die hoogste afdelingen van het amateurvoetbal per jaar 25 hartdoden vallen. Nog eens 25 personen krijgen eveneens een hartstilstand, die zij weliswaar overleven, maar vaak met blijvende, ernstige letselschade. Zelf reageerde hij bijna schouderophalend over de door hem gepubliceerde cijfers: ‘De cijfers zijn schokkend, echter niet verrassend. Ook eerdere onderzoeken in Italië hebben aangetoond dat het aantal fatale hartstilstanden onder sporters rond de 2,1 per 100.000 sporters per jaar ligt,’ zo verklaarde hij bij de presentatie van zijn onderzoek. De oorzaak van het probleem werd verder niet door hem onderzoek en hij adviseert alleen om per club de aanschaf van een hartdefribilator een hogere prioriteit te geven.

 

Methylfenidaat is beter bekend onder zijn merknaam Ritalin (in België Rilatine genoemd) is het medicijn van eerste keus om de problemen bij ADHD en PDD-NOS voortvarend aan te pakken. De term ‘eerste keus’ betekent hier niet meer en niet minder dat de beleidsmakers menen dat dit de beste combinatie is tussen een goed werkzaamheid en lage kosten. Dat betekent dat er mogelijk wel beter werkende alternatieven beschikbaar zijn, maar dat de mogelijke voordelen niet opwegen tegen de hogere kosten. Pas als blijkt dat methylfenidaat niet werkzaam is mag een arts of psycholoog overwegen een alternatief voor te schrijven.

 

Volgens de bijsluiter voor medici – die behoorlijk afwijkt van die bestemd is voor patiënten – is het ‘werkzaamheidprofiel van Ritalin op lange termijn zijn niet volledig bekend[2]’. Methylfenidaat is al meer dan 45 jaar op de markt voor de behandeling van ADHD en daardoor claimt men dat het het best onderzochte medicijn voor ADHD is. Daardoor is het vreemd dat men op dit moment nog steeds geen idee heeft waardoor het werkt. Er wordt gesteld dat het niet verslavend is bij oraal gebruik, maar de hierboven genoemde bijsluiter zegt toch echt dat ‘chronisch misbruik van Ritalin kan tot uitgesproken gewenning en psychische afhankelijkheid leiden met een verschillende mate van abnormaal gedrag.’. De woorden gewenning en psychische afhankelijkheid zijn toch echt woorden die we in het normale spraakgebruik ‘vertalen’ met verslaving. De producent heeft het kennelijk nog niet aangedurfd om een diepgaand onderzoek naar de mogelijke verslavende werking bij kinderen op te starten want, zo vervolgt de bijsluiter ‘Men heeft nog niet kunnen aantonen, dat misbruik of afhankelijkheid een probleem vormt bij adolescenten of volwassenen, die als kinderen met Ritalin tegen het hyperkinetische syndroom behandeld zijn.’.

 

Het is ook bijzonder opmerkelijk dat men claimt dat men de gevolgen van het gebruik op langere termijn niet kent. Methylfenidaat staat namelijk op de lijst van verboden middelen in de Nederlandse Opiumwet (en is in vrijwel alle landen ter wereld op dezelfde manier gereguleerd). Methylfenidaat is doodgewoon een amfetamine en daarvan is wel degelijk bekend dat het bepaalde lichamelijke en geestelijke gevaren plus een grote kans op verslaving oplevert. In mijn ogen wordt deze algemeen aanvaarde kennis bewust niet genoemd om ouders niet zo bezorgd te maken dat zij zullen besluiten om hun kind dan maar geen methylfenidaat in te laten nemen.

 

Methylfenidaat is dus een verboden stof, maar de wetgever heeft in diezelfde wetgeving een tweetal uitzonderingen opgenomen. Die uitzonderingen betreffen het onder medisch toezicht voorschrijven van methylfenidaat voor de behandeling van ADHD en de slaapstoornis narcoleptie. Maar waarom heeft men ooit besloten om methylfenidaat te verbieden? Het is namelijk een broertje van amfetamine (dat zelf ook weer wordt voorgeschreven en gebruikt om de gevolgen van ADHD te bestrijden) en het is chemisch gezien een wekamine.

 

Wekamines hebben extra energie tot gevolg. Als je er een pilletje van inneemt kun je urenlang doorfeesten, terwijl je eigenlijk van vermoeidheid in elkaar hoort te storten. Het is dus een methode om de signalen, die je lichaam en geest bij toenemende vermoeidheid zullen geven, uit te schakelen. Pas veel later, als de wekamines eindelijk zijn uitgewerkt, betaal je de prijs. Je moet de verloren gegane energie weer inhalen en dus zul je een groot gat in de dag moeten gaan slapen.  Doe je dat niet dan pleeg je roofbouw op jezelf en dat gaat op langere termijn niet goed.

 

Een ander, misschien minder bekend probleem bij wekamines is dat door het gebruik de warmtehuishouding van je lichaam ontregeld kan worden. Dat houdt in dat het lichaam niet meer op de juiste manier zijn eigen temperatuur kan regelen en dat je dus bij inspanning niet of te weinig gaat zweten of, andersom, dat je bij een geringe inspanning het gevoel krijgt dat je het vreselijk heet hebt. Je kunt het dus – mede door de verhoogde hartslag – ontzettend warm krijgen. Dat kan zelfs zo erg worden dat je het gevoel krijgt van binnen uit in brand te staan of dat je letterlijk het idee hebt dat je stikt. Mij zijn een aantal gevallen bekend van jongeren, die onder invloed van een pilletje, zou oververhit raakten dat ze gekleed en wel in een koude sloot gingen liggen om af te koelen. Ze zijn daar overleden aangetroffen. Mogelijk dat ze uiteindelijk het bewustzijn hebben verloren en vervolgens zijn verdronken. Een andere mogelijkheid is dat door die extreme belasting het hart het doodgewoon heeft begeven.

 

Een belangrijke aanwijzing dat volwassenen met ADHD drugs vaak onbewust als een soort ‘zelfmedicatie’ gebruiken kun je zien bij hun gebruik van speed. Bij ‘normale’ mensen werkt speed als een upper. Ze worden er druk van en krijgen extra energie. Bij mensen met ADHD werkt speed als een downer. Ze worden er rustig van en eindelijk komt die voortdurende stroom van gedachten in je hoofd eindelijk even tot rust. Speed is de straatnaam van amfetamine-achtige stofjes die je bij een apotheek in een doordrukstrip haalt en waar dan bijvoorbeeld de merknaam Ritalin op staat.

 

Het is dus eigenlijk vreemd dat volwassenen met ADHD niet gewoon even naar de huisarts gaan om zich de diagnose ADHD te laten aanmeten. Met die diagnose kunnen ze de rest van hun leven vrijwel gratis hun ‘verslaving’ voeden. Maar het is in de praktijk niet zo eenvoudig als het lijkt. Het blijkt dat volwassenen met ADHD zich helemaal niet ADHD-ers voelen en ze zullen dat feit in het grootste deel van de gevallen ook altijd blijven ontkennen. Een diagnose betekent dat je iets mankeert, dat je dus geestelijk niet helemaal in orde bent. In hun eigen ogen functioneren ze goed genoeg in hun dagelijks leven. Dat ze vaak zelf de oorzaak zijn van alles problemen, die ze op hun pad tegenkomen, zien ze zelf niet. Het is de grote boze wereld die hen niet snapt. Volwassenen met ADHD zullen ook vaak onder hun niveau aan het werk zijn. Promoties gaan voortdurend aan hun neus voorbij omdat ze zich nauwelijks kunnen houden aan afspraken en nooit natuurlijk leiderschap zullen vertonen. Deze ervaringen zullen vaak problemen op het werk tot gevolg hebben omdat ze zich maar moeilijk kunnen schikken in een ondergeschikte relatie. Ze kunnen niet tegen autoriteit en leidinggevenden worden dom en star gevonden. Een chef heeft het er altijd heel moeilijk mee om een dergelijke werknemer in het gareel te houden. Monotoon werk wordt geestdodend gevonden, terwijl geestelijk uitdagend werk weer teveel onverwachte momenten oplevert. Vaak raken volwassenen met ADHD al op jonge leeftijd langdurig werkloos en zijn vervolgens maar lastig te bemiddelen door arbeids- en uitzendbureaus. Geldproblemen komen daardoor ook veelvuldig voor. Ze hebben vaak maar een kleine uitkering en hun uitgavenpatroon is ook al lastig. Eventuele alcohol- en drugsverslavingen kosten immers ook behoorlijk wat geld. Rekeningen worden vaak vergeten en niet op tijd betaald. Dat alles kan er voor zorgen dat er een vicieuze cirkel ontstaat waar ze zonder hulp bijna niet uit kunnen komen.

 

Een volwassene met een ontwikkelingsstoornis, zoals PDD-NOS of ADHD, zal zijn omgeving zo voorspelbaar mogelijk proberen in te richten. Hij zal al zijn activiteiten op een bijna rigide manier steeds op dezelfde manier en op dezelfde tijd blijven uitvoeren. Zelfs eenvoudig lijkende huishoudelijke taken als het koken van een maaltijd wordt als een ritueel uitgevoerd. Multi-tasking, het tegelijk uitvoeren van een aantal afzonderlijke taken) komt vrijwel niet bij hen voor. Taken worden in de meeste gevallen na elkaar (sequentieel) uitgevoerd.

 

Een ander probleem kan zijn dat hij zijn drank en drugs onbewust heeft gebruikt als een vorm van rustgevende zelfmedicatie. Het voorschrijven van methylfenidaat zou kunnen betekenen dat hij minder alcohol of drugs zou kunnen gebruiken. Hij staat dus voor een moeilijke keuze. Wat acht hij belangrijker: zijn verslaving of zijn ADHD-problemen? En zal hij nog wel dezelfde bruisende persoonlijkheid hebben als hij zijn medicijnen inneemt?

 

Drugs, zoals amfetamine, worden in de regel niet gezien als medicijn, zelfs al heeft het precies dezelfde werking. Integendeel, drugs passen juist heel goed in het leven van een volwassene met PDD-NOS en ADHD. Het geeft de zo noodzakelijke tijdelijke rust.

 

Maar het creeren van extra energie bij volwassenen zonder ADHD kan toch nooit de ultieme reden geweest zijn om amfetamines te verbieden? Om dat verbod te kunnen beargumenteren moeten de wetgevers medische bewijzen hebben gebruikt. Welke zaken waren dat dan? Wat maakte amfetamine zo gevaarlijk dat het verboden moest worden door het via de Opiumwetgeving aan het volk te gaan verbieden?

 

Amfetamines kunnen psychoses opwekken met een kans op zelfmoorneigingen. Ze kunnen bovendien hart- en vaatproblemen veroorzaken Mede daarom heeft de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) in februari 2007 eindelijk en veel te laat bekend gemaakt  dat zij de producenten van bepaalde ADHD-medicijnen had verplicht om hun bijsluiters zodanig aan te passen dat patiënten duidelijk zou worden gemaakt dat er bepaalde gevaren kleven aan het gebruik van deze medicijnen. Het betrof hier medicijnen op basis van amfetamine, zoals methylfenidaat (merknaam: Ritalin, Concerta, etc) en atomoxitine (merknaam: Strattera).

 

De FDA waarschuwde voor de gevaren voor mogelijke hart- en vaatproblemen en het risico op psychiatrische symptomen als gevolg van het gebruik van deze medicijnen. Er moet nu dus een serieuze afweging worden gemaakt dus tussen het voordeel (de afname van de ADHD-verschijnselen) en het nadeel (kans op bepaalde problemen) van het innemen. En die kans op een eventueel probleem wordt nu door de FDA zodanig groot geacht dat zij zich gedwongen voelden om actie te ondernemen.

 

De FDA liet weten dat er bij hen een aantal rapportages, naar aanleiding van het gebruik van deze medicijnen, waren binnengekomen waaruit ernstige hart- en vaatproblemen bleken. Zij noemden zelfs enkele gevallen van plotseling overlijden bij patiënten met een al bestaande ernstige hartkwaal, en gevallen van hartaanvallen bij volwassenen met bepaalde risicofactoren. Andere cijfers toonden een licht verhoogd risico (1 per 1000) op negatieve psychiatrische voorvallen, zoals het horen van stemmen, zonder aanleiding wantrouwend worden, en zelfs manisch worden, ook bij patiënten zonder eerdere psychiatrische problemen. Als gevolg van deze nieuwe inzichten stelt de FDA voor dat artsen, die overwegen ADHD met medicijnen te gaan behandelen, hun patiënt lichamelijk en psychisch grondig onderzoeken en hun ziektehistorie ook diepgaand met hen te bespreken.

Het Nederlandse College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) raakte echter niet in paniek door deze toch verontrustende berichten vanuit de Verenigde Staten. Kalm verklaarde het college dat deze medicijnen nog onlangs tegen het licht waren gehouden en dat de gerapporteerde hartproblemen in Amerika alleen voorkwamen bij patiënten die al hartproblemen hadden of als er sprake was van een overdosering. In Nederland mogen deze medicijnen nu al niet worden voorgeschreven bij patiënten die hartproblemen hebben.

 

Toch is dit een uiters vreemde redenering omdat van wekamines immers al langere tijd bekend zijn dat ze hartritmestoornissen (en daardoor zelfs hartfalen), groeistoornissen, psychotisch en agressief gedrag, slapeloosheid, willekeurige spierbewegingen, tics, etc kunnen veroorzaken. Zelfs bij lichamelijk en geestelijk geheel gezonde kinderen. Dat zijn de kinderen die om onverklaarbare reden op sportvelden in elkaar zakken en overlijden door hartfalen.

 

Juist deze zaken waren er de oorzaak van dat amfetamines verboden werden en, medisch gezien, in onbruik raakten. Zou het een blinde vlek van de toezichthoudende autoriteiten zijn om nu pas de negatieve gevolgen van het medicijngebruik van ADHD in te zien?

 

Je vraagt je dus nu af waarom deze informatie nooit eerder bekend was gemaakt. Het waren problemen die al decennia bekend waren. In de Tweede Wereldoorlog werd aan soldaten van alle partijen al pilletjes met amfetamine gegeven om ze tijdens gevechtshandelingen langer door te gaan. Zelfs toen bleek al van de problemen.

 

De oorzaak heeft zonder enige twijfel ook financiële kanten. Grote farmaceutische bedrijven hebben grote belangen…



[1]              FDA: FDA Directs ADHD Drug Manufacturers to Notify Patients about Cardiovascular Adverse Events and Psychiatric Adverse Events – 10 februari 2006

[2]               Novartis: Samenvatting van de productkenmerken - 2005

4. TWIJFELS OVER MEDICATIE? mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

‘Jongen (13) overlijdt op voetbalveld aan hartstilstand’

 

Zomaar een kopje uit de krant. Zomaar? Natuurlijk zit er voor de achterblijvende ouders een verschrikkelijk drama achter, maar over die kant van wil ik het even niet hebben.

 

Misschien dat het jou niet is opgevallen, maar mij wel: tot een aantal jaar geleden las je dit soort trieste berichten nooit. Vroeger had je alleen maar een kleine kans om tijdens het voetballen bij een onweersbui door de bliksem getroffen te worden, maar een hartstilstand op 13-jarige leeftijd kwam gewoon niet voor. Als je er op gaat letten ontdek je dat het tegenwoordig helemaal niet meer zo’n zeldzaam verschijnsel meer is dat jeugdigen hartproblemen lijken te hebben. Met soms dodelijke gevolgen.

 

Wanneer ik dit soort treurige berichten vaker tegenkom, vraag ik me af wat van dat drama de mogelijke oorzaken kunnen zijn. Waarom is het er nu wel en was het er vroeger niet? Daar moet toch een aanwijsbare reden voor zijn? Wanneer je ook benieuwd bent naar de mogelijke oorzaken, lees dan vooral door.

 

Zou het misschien iets te maken kunnen hebben met het feit dat in februari 2007 de Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA)[1] bekend maakte dat zij de producenten van bepaalde ADHD-medicijnen had verplicht om hun bijsluiters zodanig aan te passen dat patiënten duidelijk zou worden gemaakt dat er bepaalde gevaren kleven aan het gebruik van deze medicijnen? Het betrof hier een waarschuwing voor veel voorgeschreven medicijnen op basis van amfetamine, zoals methylfenidaat (merknaam: Ritalin, Concerta, etc) en atomoxitine (merknaam: Strattera).

 

De FDA waarschuwde voor de gevaren voor mogelijke hart- en vaatproblemen en het risico op psychiatrische symptomen als gevolg van het gebruik van deze medicijnen.

 

Vreemd. Over die mogelijke negatieve bijverschijnselen heeft de behandelend geneesheer van je kind het waarschijnlijk niet gehad. Hij heeft het ook zo druk. Het zal hem waarschijnlijk even ontschoten zijn om je te vertellen dat je kind het risico loopt op hartproblemen en psychiatrische problemen. Kan gebeuren, toch? Of zou het allemaal wel meevallen? Misschien zijn die Amerikaanse gezondheidsautoriteiten weer eens veel te voorzichtig geweest en zorgen ze juist daardoor voor extra onnodige ongerustheid bij de ouders van kinderen met de diagnose ADHD?

 

Ik zal hier proberen uit te leggen wat de mogelijke gevaren van de veel voorgeschreven ADHD-geneesmiddelen zijn. Na het lezen van dit hoofdstuk zul je in staat zijn zelf je conclusies en beslissingen te kunnen nemen.

 

Je hebt eindelijk de langverwachte en gevreesde diagnose ADHD of PDD-NOS voor je kind gehoord van de behandelend medicus en dan wacht alweer de volgende horde. Moeten de signalen en symptomen van die ontwikkelingsstoornis behandeld worden met medicatie? Veel ouders zullen met deze vraag worstelen. Vaak zal op korte termijn inderdaad een opmerkelijke verbetering te zien zijn in de problemen en het gezin komt daardoor in veel gevallen ook in een wat rustiger vaarwater. Maar toch… Een medicijn is toch een chemische stof en is die stof op de lange termijn wel gezond voor de verdere geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van je kind?

 

Ik zal op deze (en andere) vragen over de zoveel voorgeschreven medicijnen voor ADHD en PDD-NOS zo objectief mogelijk antwoord proberen te geven.

 

In 2007 verrichtte bewegingswetenschapper Dirk Veldman onderzoek in het kader van zijn afstudeeropdracht aan de Universiteit van Maastricht naar het aantal hartstilstanden in de hoogste afdelingen van de Nederlandse amateurvoetbalcompetities. Zijn resultaten bleken schokkend: In Nederland treden jaarlijks per 100.000 voetballers 2,3 fatale hartstilstanden op. Dat betekent dat er tegenwoordig alleen al in die hoogste afdelingen van het amateurvoetbal per jaar 25 hartdoden vallen. Nog eens 25 personen krijgen eveneens een hartstilstand, die zij weliswaar overleven, maar vaak met blijvende, ernstige letselschade. Zelf reageerde hij bijna schouderophalend over de door hem gepubliceerde cijfers: ‘De cijfers zijn schokkend, echter niet verrassend. Ook eerdere onderzoeken in Italië hebben aangetoond dat het aantal fatale hartstilstanden onder sporters rond de 2,1 per 100.000 sporters per jaar ligt,’ zo verklaarde hij bij de presentatie van zijn onderzoek. De oorzaak van het probleem werd verder niet door hem onderzoek en hij adviseert alleen om per club de aanschaf van een hartdefribilator een hogere prioriteit te geven.

 

Methylfenidaat is beter bekend onder zijn merknaam Ritalin (in België Rilatine genoemd) is het medicijn van eerste keus om de problemen bij ADHD en PDD-NOS voortvarend aan te pakken. De term ‘eerste keus’ betekent hier niet meer en niet minder dat de beleidsmakers menen dat dit de beste combinatie is tussen een goed werkzaamheid en lage kosten. Dat betekent dat er mogelijk wel beter werkende alternatieven beschikbaar zijn, maar dat de mogelijke voordelen niet opwegen tegen de hogere kosten. Pas als blijkt dat methylfenidaat niet werkzaam is mag een arts of psycholoog overwegen een alternatief voor te schrijven.

 

Volgens de bijsluiter voor medici – die behoorlijk afwijkt van die bestemd is voor patiënten – is het ‘werkzaamheidprofiel van Ritalin op lange termijn zijn niet volledig bekend[2]’. Methylfenidaat is al meer dan 45 jaar op de markt voor de behandeling van ADHD en daardoor claimt men dat het het best onderzochte medicijn voor ADHD is. Daardoor is het vreemd dat men op dit moment nog steeds geen idee heeft waardoor het werkt. Er wordt gesteld dat het niet verslavend is bij oraal gebruik, maar de hierboven genoemde bijsluiter zegt toch echt dat ‘chronisch misbruik van Ritalin kan tot uitgesproken gewenning en psychische afhankelijkheid leiden met een verschillende mate van abnormaal gedrag.’. De woorden gewenning en psychische afhankelijkheid zijn toch echt woorden die we in het normale spraakgebruik ‘vertalen’ met verslaving. De producent heeft het kennelijk nog niet aangedurfd om een diepgaand onderzoek naar de mogelijke verslavende werking bij kinderen op te starten want, zo vervolgt de bijsluiter ‘Men heeft nog niet kunnen aantonen, dat misbruik of afhankelijkheid een probleem vormt bij adolescenten of volwassenen, die als kinderen met Ritalin tegen het hyperkinetische syndroom behandeld zijn.’.

 

Het is ook bijzonder opmerkelijk dat men claimt dat men de gevolgen van het gebruik op langere termijn niet kent. Methylfenidaat staat namelijk op de lijst van verboden middelen in de Nederlandse Opiumwet (en is in vrijwel alle landen ter wereld op dezelfde manier gereguleerd). Methylfenidaat is doodgewoon een amfetamine en daarvan is wel degelijk bekend dat het bepaalde lichamelijke en geestelijke gevaren plus een grote kans op verslaving oplevert. In mijn ogen wordt deze algemeen aanvaarde kennis bewust niet genoemd om ouders niet zo bezorgd te maken dat zij zullen besluiten om hun kind dan maar geen methylfenidaat in te laten nemen.

 

Methylfenidaat is dus een verboden stof, maar de wetgever heeft in diezelfde wetgeving een tweetal uitzonderingen opgenomen. Die uitzonderingen betreffen het onder medisch toezicht voorschrijven van methylfenidaat voor de behandeling van ADHD en de slaapstoornis narcoleptie. Maar waarom heeft men ooit besloten om methylfenidaat te verbieden? Het is namelijk een broertje van amfetamine (dat zelf ook weer wordt voorgeschreven en gebruikt om de gevolgen van ADHD te bestrijden) en het is chemisch gezien een wekamine.

 

Wekamines hebben extra energie tot gevolg. Als je er een pilletje van inneemt kun je urenlang doorfeesten, terwijl je eigenlijk van vermoeidheid in elkaar hoort te storten. Het is dus een methode om de signalen, die je lichaam en geest bij toenemende vermoeidheid zullen geven, uit te schakelen. Pas veel later, als de wekamines eindelijk zijn uitgewerkt, betaal je de prijs. Je moet de verloren gegane energie weer inhalen en dus zul je een groot gat in de dag moeten gaan slapen.  Doe je dat niet dan pleeg je roofbouw op jezelf en dat gaat op langere termijn niet goed.

 

Een ander, misschien minder bekend probleem bij wekamines is dat door het gebruik de warmtehuishouding van je lichaam ontregeld kan worden. Dat houdt in dat het lichaam niet meer op de juiste manier zijn eigen temperatuur kan regelen en dat je dus bij inspanning niet of te weinig gaat zweten of, andersom, dat je bij een geringe inspanning het gevoel krijgt dat je het vreselijk heet hebt. Je kunt het dus – mede door de verhoogde hartslag – ontzettend warm krijgen. Dat kan zelfs zo erg worden dat je het gevoel krijgt van binnen uit in brand te staan of dat je letterlijk het idee hebt dat je stikt. Mij zijn een aantal gevallen bekend van jongeren, die onder invloed van een pilletje, zou oververhit raakten dat ze gekleed en wel in een koude sloot gingen liggen om af te koelen. Ze zijn daar overleden aangetroffen. Mogelijk dat ze uiteindelijk het bewustzijn hebben verloren en vervolgens zijn verdronken. Een andere mogelijkheid is dat door die extreme belasting het hart het doodgewoon heeft begeven.

 

Een belangrijke aanwijzing dat volwassenen met ADHD drugs vaak onbewust als een soort ‘zelfmedicatie’ gebruiken kun je zien bij hun gebruik van speed. Bij ‘normale’ mensen werkt speed als een upper. Ze worden er druk van en krijgen extra energie. Bij mensen met ADHD werkt speed als een downer. Ze worden er rustig van en eindelijk komt die voortdurende stroom van gedachten in je hoofd eindelijk even tot rust. Speed is de straatnaam van amfetamine-achtige stofjes die je bij een apotheek in een doordrukstrip haalt en waar dan bijvoorbeeld de merknaam Ritalin op staat.

 

Het is dus eigenlijk vreemd dat volwassenen met ADHD niet gewoon even naar de huisarts gaan om zich de diagnose ADHD te laten aanmeten. Met die diagnose kunnen ze de rest van hun leven vrijwel gratis hun ‘verslaving’ voeden. Maar het is in de praktijk niet zo eenvoudig als het lijkt. Het blijkt dat volwassenen met ADHD zich helemaal niet ADHD-ers voelen en ze zullen dat feit in het grootste deel van de gevallen ook altijd blijven ontkennen. Een diagnose betekent dat je iets mankeert, dat je dus geestelijk niet helemaal in orde bent. In hun eigen ogen functioneren ze goed genoeg in hun dagelijks leven. Dat ze vaak zelf de oorzaak zijn van alles problemen, die ze op hun pad tegenkomen, zien ze zelf niet. Het is de grote boze wereld die hen niet snapt. Volwassenen met ADHD zullen ook vaak onder hun niveau aan het werk zijn. Promoties gaan voortdurend aan hun neus voorbij omdat ze zich nauwelijks kunnen houden aan afspraken en nooit natuurlijk leiderschap zullen vertonen. Deze ervaringen zullen vaak problemen op het werk tot gevolg hebben omdat ze zich maar moeilijk kunnen schikken in een ondergeschikte relatie. Ze kunnen niet tegen autoriteit en leidinggevenden worden dom en star gevonden. Een chef heeft het er altijd heel moeilijk mee om een dergelijke werknemer in het gareel te houden. Monotoon werk wordt geestdodend gevonden, terwijl geestelijk uitdagend werk weer teveel onverwachte momenten oplevert. Vaak raken volwassenen met ADHD al op jonge leeftijd langdurig werkloos en zijn vervolgens maar lastig te bemiddelen door arbeids- en uitzendbureaus. Geldproblemen komen daardoor ook veelvuldig voor. Ze hebben vaak maar een kleine uitkering en hun uitgavenpatroon is ook al lastig. Eventuele alcohol- en drugsverslavingen kosten immers ook behoorlijk wat geld. Rekeningen worden vaak vergeten en niet op tijd betaald. Dat alles kan er voor zorgen dat er een vicieuze cirkel ontstaat waar ze zonder hulp bijna niet uit kunnen komen.

 

Een volwassene met een ontwikkelingsstoornis, zoals PDD-NOS of ADHD, zal zijn omgeving zo voorspelbaar mogelijk proberen in te richten. Hij zal al zijn activiteiten op een bijna rigide manier steeds op dezelfde manier en op dezelfde tijd blijven uitvoeren. Zelfs eenvoudig lijkende huishoudelijke taken als het koken van een maaltijd wordt als een ritueel uitgevoerd. Multi-tasking, het tegelijk uitvoeren van een aantal afzonderlijke taken) komt vrijwel niet bij hen voor. Taken worden in de meeste gevallen na elkaar (sequentieel) uitgevoerd.

 

Een ander probleem kan zijn dat hij zijn drank en drugs onbewust heeft gebruikt als een vorm van rustgevende zelfmedicatie. Het voorschrijven van methylfenidaat zou kunnen betekenen dat hij minder alcohol of drugs zou kunnen gebruiken. Hij staat dus voor een moeilijke keuze. Wat acht hij belangrijker: zijn verslaving of zijn ADHD-problemen? En zal hij nog wel dezelfde bruisende persoonlijkheid hebben als hij zijn medicijnen inneemt?

 

Drugs, zoals amfetamine, worden in de regel niet gezien als medicijn, zelfs al heeft het precies dezelfde werking. Integendeel, drugs passen juist heel goed in het leven van een volwassene met PDD-NOS en ADHD. Het geeft de zo noodzakelijke tijdelijke rust.

 

Maar het creeren van extra energie bij volwassenen zonder ADHD kan toch nooit de ultieme reden geweest zijn om amfetamines te verbieden? Om dat verbod te kunnen beargumenteren moeten de wetgevers medische bewijzen hebben gebruikt. Welke zaken waren dat dan? Wat maakte amfetamine zo gevaarlijk dat het verboden moest worden door het via de Opiumwetgeving aan het volk te gaan verbieden?

 

Amfetamines kunnen psychoses opwekken met een kans op zelfmoorneigingen. Ze kunnen bovendien hart- en vaatproblemen veroorzaken Mede daarom heeft de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) in februari 2007 eindelijk en veel te laat bekend gemaakt  dat zij de producenten van bepaalde ADHD-medicijnen had verplicht om hun bijsluiters zodanig aan te passen dat patiënten duidelijk zou worden gemaakt dat er bepaalde gevaren kleven aan het gebruik van deze medicijnen. Het betrof hier medicijnen op basis van amfetamine, zoals methylfenidaat (merknaam: Ritalin, Concerta, etc) en atomoxitine (merknaam: Strattera).

 

De FDA waarschuwde voor de gevaren voor mogelijke hart- en vaatproblemen en het risico op psychiatrische symptomen als gevolg van het gebruik van deze medicijnen. Er moet nu dus een serieuze afweging worden gemaakt dus tussen het voordeel (de afname van de ADHD-verschijnselen) en het nadeel (kans op bepaalde problemen) van het innemen. En die kans op een eventueel probleem wordt nu door de FDA zodanig groot geacht dat zij zich gedwongen voelden om actie te ondernemen.

 

De FDA liet weten dat er bij hen een aantal rapportages, naar aanleiding van het gebruik van deze medicijnen, waren binnengekomen waaruit ernstige hart- en vaatproblemen bleken. Zij noemden zelfs enkele gevallen van plotseling overlijden bij patiënten met een al bestaande ernstige hartkwaal, en gevallen van hartaanvallen bij volwassenen met bepaalde risicofactoren. Andere cijfers toonden een licht verhoogd risico (1 per 1000) op negatieve psychiatrische voorvallen, zoals het horen van stemmen, zonder aanleiding wantrouwend worden, en zelfs manisch worden, ook bij patiënten zonder eerdere psychiatrische problemen. Als gevolg van deze nieuwe inzichten stelt de FDA voor dat artsen, die overwegen ADHD met medicijnen te gaan behandelen, hun patiënt lichamelijk en psychisch grondig onderzoeken en hun ziektehistorie ook diepgaand met hen te bespreken.

Het Nederlandse College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) raakte echter niet in paniek door deze toch verontrustende berichten vanuit de Verenigde Staten. Kalm verklaarde het college dat deze medicijnen nog onlangs tegen het licht waren gehouden en dat de gerapporteerde hartproblemen in Amerika alleen voorkwamen bij patiënten die al hartproblemen hadden of als er sprake was van een overdosering. In Nederland mogen deze medicijnen nu al niet worden voorgeschreven bij patiënten die hartproblemen hebben.

 

Toch is dit een uiters vreemde redenering omdat van wekamines immers al langere tijd bekend zijn dat ze hartritmestoornissen (en daardoor zelfs hartfalen), groeistoornissen, psychotisch en agressief gedrag, slapeloosheid, willekeurige spierbewegingen, tics, etc kunnen veroorzaken. Zelfs bij lichamelijk en geestelijk geheel gezonde kinderen. Dat zijn de kinderen die om onverklaarbare reden op sportvelden in elkaar zakken en overlijden door hartfalen.

 

Juist deze zaken waren er de oorzaak van dat amfetamines verboden werden en, medisch gezien, in onbruik raakten. Zou het een blinde vlek van de toezichthoudende autoriteiten zijn om nu pas de negatieve gevolgen van het medicijngebruik van ADHD in te zien?

 

Je vraagt je dus nu af waarom deze informatie nooit eerder bekend was gemaakt. Het waren problemen die al decennia bekend waren. In de Tweede Wereldoorlog werd aan soldaten van alle partijen al pilletjes met amfetamine gegeven om ze tijdens gevechtshandelingen langer door te gaan. Zelfs toen bleek al van de problemen.

 

De oorzaak heeft zonder enige twijfel ook financiële kanten. Grote farmaceutische bedrijven hebben grote belangen…



[1]              FDA: FDA Directs ADHD Drug Manufacturers to Notify Patients about Cardiovascular Adverse Events and Psychiatric Adverse Events – 10 februari 2006

[2]               Novartis: Samenvatting van de productkenmerken - 2005

5. Vitamine B6, Autism, PDD-NOS and ADHD mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat men geen idée had dat een gebrek aan bepaalde voedingstoffen een directe relatie kon hebben met het ontstaan van een heel scala aan verschillende ziektebeelden. Nu weten we dat een langdurig gebrek aan vitamine A en ijzer kan leiden tot bloedarmoede. Een gebrek aan vitamine D is de oorzaal van broze botten, maar tegenwoordig komen er berichten naar buiten dat een tekort ook kan leiden tot hart- en vaatproblemen en zelfs kanker.

 

Maar dit soort ziektebeelden zijn slechts de uiterlijke verschijningsvormen van problemen die ontstaan na een langdurig en ernstig tekort aan die essentiële voedingsstoffen, zoals vitamines, mineralen en metalen. Maar wat nog vrijwel onbekend is zijn de problemen die kunnen ontstaan wanneer iemand langdurig net onder de aanvaardbare en gezonde niveaus aan die micro-nutrienten zit. Er ontstaan dan problemen met je gezondheid die men subklinisch noemt. Uiterlijk zijn er geen of nauwelijks signalen en symptomen van een bepaalde ziekte waar te nemen, maar de patiënt vertoont aan vage, veelal niet aan elkaar gerelateerde klachten.

 

Vroeger wist men niet dat een subklinisch gebrek aan vitamine A kon leiden tot nachtblindheid. Daardoor werd er ook niets aan gedaan omdat men meende dat zoiets het gevolg was van infecties of dat het een aangeboren probleem was.

 

Als een chronisch gebrek aan bepaalde vitamines kan leiden tot subklinische klachten kan datzelfde patroon zich ook voordoen bij andere vitamines. We weten dat vitamine B6 een belangrijke functie heeft bij de opname van ijzer in het lichaam en is betrokken bij de vorming van rode bloedcellen, maar het zorgt ook voor een goede werking van het zenuwstelsel. Maar het allerbelangrijkste is dat Vitamine B6 de voornaamste vitamine is die nodig is voor het verwerken van aminozuren - de bouwstenen voor eiwitten en hormonen. Vitamine B6 helpt verder de aminozuren te ontleden en speelt ook een voorname rol bij de aanmaak van de neurotransmitters serotonine, melatonine en dopamine. Vitamine B6 is daardoor dus ook noodzakelijk voor een goede stemming en zenuwen. Is essentieel voor het zenuwstelsel en het immuunsysteem. Samen met vitamine B12 en foliumzuur, speelt vitamine B6 een grote rol in het metabolisme van homocysteine, een grote risicofactor voor hart- en vaatziekten. Langdurig ernstige tekorten kunnen leiden tot bloedarmoede, gebrek aan eetlust, diarree, zenuwaandoeningen en een verminderde weerstand.

 

Maar wat gebeurt er wanneer door een onvolledig voedingspatroon er een voortdurend miniem tekort aan vitamine B6 ontstaat. Ieder lichaam heeft een minimale hoeveelheid aan voedingsstoffen en micronutriënten nodig om optimaal te kunnen functioneren. Een lichaam dat iedere dag net niet genoeg van die noodzakelijke stoffen binnen krijgt vertoont geen ernstige en eenvoudig te diagnosticeren signalen en symptomen die een arts simpel kan verhelpen door het voorschrijven van een vitamine-preparaat. Zo’n lichaam laat echter wel degelijk merken dat het niet helemaal op volledige capaciteit werkt. Een patiënt vertoont ook hier wat vage klachten die niet kunnen worden herleid tot een mogelijk miniem tekort aan vitamine B6.

 

Maar hoe kan dat dan dat er tegenwoordig zoveel kinderen met ontwikkelingsstoornissen, zoals PDD-NOS en ADHD, worden gediagnosticeerd. Officiële onderzoeken willen ons vaak nog proberen gerust te stellen door op te merken dat het allemaal wel meevalt met die toename en dat het voornamelijk een probleem is van een verbeterde opsporing en diagnose van het probleem. Maar u en ik weten wel beter: vroeger zaten er nauwelijks kinderen met gedragsproblemen of leerproblemen in een klas, terwijl er tegenwoordig in vrijwel iedere klas wel een paar kunnen worden aangewezen.

 

Wat is er ondertussen gebeurd waardoor zoveel kinderen slachtoffer zijn geworden van een medisch probleem? Zijn ontwikkelingsstoornissen, zoals PDD-NOS en ADHD, dan soms besmettelijk? Natuurlijk niet, maar er zijn wel degelijk aan aantal belangrijke veranderingen op te noemen die mogelijk een belangrijke invloed hebben op het verergeren van de problemen van die stoornissen.

 

In mijn ogen is de allerbelangrijkste de toename van allerlei toevoegingen in ons dagelijks voedsel. We zijn de laatste decennia steeds verder van ons natuurlijke voedsel af komen te staan. We eten steeds ongezonder, het eten moet steeds sneller klaar zijn en de producenten stopper steeds meer kleur- en smaakstoffen, conserveermiddelen, zuurteregelaars en andere zaken in ons eten om het langer houdbaar te houden of de smaken aan te passen. Ik denk dat het niet zo is dat al die toevoegingen schadelijk zijn, zoals sommigen wel denken, maar dat er door die veranderde bereidingswijzen gewoon minder van de zo noodzakelijke vitamines en mineralen in ons voedingspatroon zitten. Ook de versnelde teelt (snel, sneller, snelst) kan er voor zorgen dat een groente niet voldoende tijd heeft om alle noodzakelijke voedingsstoffen uit de bodem op te nemen. Daardoor wordt gedacht dat de gemiddelde Nederlander een gebrek aan zink, ijzer, selenium, koper en magnesium heeft. Bovendien hebben we gemiddeld een fors tekort aan vitamine A. In veel groente zit tegenwoordig geen vitamine C meer.

Kinderen met een ontwikkelingsstoornis, zoals PDD-NOS en ADHD, hebben mogelijk wat problemen met de verwerking van bepaalde vitamines en mineralen (zie daarvoor bijvoorbeeld het onderdeel ZELF PDD-NOS BEHANDELEN?) en daardoor hebben ze echt 100% van de dagelijkse hoeveelheid nodig. Krijgt zo’n kind minder binnen dan ontstaan al snel tekorten (vitamines zijn bouwstenen voor de neurotransmitter serotonine) en daardoor verergeren mogelijk de problemen van zijn PDD-NOS.

 

 

 

 

If we accept that B6 plays an important role in the reversal of symptoms of autism and its milder form PDD-NOS, we must try to understand what role vitamin B6 can play in these disorders.

 

Low levels of serotonin in development disorders can be remedied with methylphenidate. This medicatie will increase the levels to normal in patients with ADHD and this will result in less over-active behavior. If persons without ADHD take methyphenidate, they will get overactive as if they are on speed.

 

The task we have to perform therefore is to link vitamin B6 to (the creation of) serotonin and this seems to be quite an easy task.

 

Vitamin B6 is a term used to refer to a group of naturally occurring pyridine derivatives represented by pyridoxine (pyridoxol), pyridoxal and pyridoxamine. Even though this vitamin exists in three forms, the term pyridoxine is currently used to cover the whole vitamin B6 group. Once digested, pyridoxine is converted rapidly to pyridoxal phosphate which acts as a co-enzyme in a whole host of biochemical reactions (1,2).

 

First and foremost[1], it acts as a coenzyme in protein metabolism. As such, it helps in the transformation of amino acids to form active biogenic amines such as histamine, serotonin, dopamine and adrenaline. Similarly, to remove an acid group from glutamic acid to form gamma-aminobutyric acid (GABA). Subsequent studies have found that GABA acts on the presynaptic nerve terminals to inhibit the release of exicatory neurotransmitters and thereby having a calming effect (3).

 

Vitamin B6 is also vital in the formation of long chain polyunsaturated fatty acids from essential fatty acids and in the conversion of tryptophan into nicotinic acid. Similarly, it is needed to incorporate iron into haemoglobin and to transfer methinonine into energy thereby avoiding an excessive accumulation of homocysteine which is toxic (1,2).

 

Vitamin B6 is an absolutely vital component in the conversion of tryptophan to serotonin. Not only that, but in order for tryptophan to be metabolised properly, it requires the presence of this vitamin. Therefore, an insufficient vitamin B6 intake is responsible for both low tryptophan and serotonin levels. Ever increasing research evidence is associating a low vitamin B6 intake with depression (23-26), a low tryptophan level with both depression aggression (27,2 8) and low serotonin levels with depression, aggression and suicidal behaviour (29, 31).

 

Vitamin B6 supplements, up to 30mg per kg body weight, are particularly useful in treating children suffering from hyperactivity (32-34). Similarly, in treating autistic children (32, 35, 36). One double-blind crossover study on 16 autistic children found that their behavior improved whilst on vitamin B6 supplements and consequently deteriorated on withdrawal (35). Vitamin B6 supplements are also used for lowering oxalate levels on patients prone to oxaluric stone formation (32, 37). Furthermore, when taken at 100-300 mg per day it has been successful in treating carpal tunnel syndrome (32, 38-42). Vitamin B6 supplements have been found to be particularly beneficial in reducing symptoms associated with pre-menstrual syndrome (32, 43-48). Likewise In treating depression due to hormonal preparations containing oestrogen such as the contraceptive pill (32, 49-52). Oestrogen leads to depression because it does not only block vitamin B6 activity but also accelerates the metabolism of tryptophan, thereby leading to low serotonin levels and hence to symptoms associated with these.

 

Vitamin B6 is een wateroplosbare vitamine. Het bestaat eigenlijk uit drie verschillende, maar chemisch onderling zeer verwante stofjes: pyridoxine, pyridoxal, and pyridoxamine.

 

Het verricht een grote verscheidenheid aan functies in je lichaam en een goede gezondheid is er van afhankelijk.

 

Vitamine B6 is bijvoorbeeld noodzakelijk voor de aanmaak van meer dan 100 enzymen, die zelf weer werkzaam zijn bij de metabolisme van eiwitten. Het is ook onmisbaar voor de metabolisme van rode bloedcellen. Het zenuwstelsel en immuunsysteem hebben vitamine B6 ook echt nodig voor de omzetting van tryptofaan (een aminozuur) in niacine (een vitamine).

Hemoglobine in de rode bloedcellen vervoeren zuurstof door het hele lichaam. Je lichaam heeft die vitamine B6 nodig om hemoglobine aan te maken. Ook helpt vitamine B6 om de hoeveelheid zuurstof te verhogen die door de hemoglobine kan worden vervoerd.

 

Een tekort aan vitamine B6 (vitamin B6 deficiency) kan daardoor een bepaalde vorm van bloedarmoede veroorzaken, die vrijwel gelijk is aan ijzer bloedarmoede (iron deficiency anemia).



[1]           Tuormaa: The Vitamin B6 Controversy - 2006

5. ADHD en essentiële vetzuren mei 15, 2008

Posted by fredvries in Uncategorized.
add a comment

Ik weet het: wervende reclame-uitingen en waarheid staan gewoonlijk vaak lijnrecht tegenover elkaar. Want hoe wervender de reclame, hoe minder waarheid er gewoonlijk verteld zal worden. De waarheid verkoopt zichzelf immers wel.

 

En dus was ik op voorhand ietwat sceptisch over de lovende verhalen, die tegenwoordig in allerlei media verteld werden over een bepaalde vorm van visolie, die een gunstige invloed zou moeten hebben op het functioneren van de hersenen. Maar zo langzamerhand komen er toch wat resultaten van wetenschappelijke onderzoeken naar buiten, die een positief effect van het toedienen van visolie rapporteren. Een Australisch onderzoek liet verbeteringen zien in ontwikkelingsproblemen die symptomatisch zijn voor ADHD (cognitieve problemen, aandachtsproblemen, rusteloosheid, impulsiviteit en hyperactiviteit)